|

|

pimpelmees
Broedproces in het wild en in gevangenschap
In hun geboorteland valt de broedtijd tussen april en juli.
Ze nestelen in boomholten maar ook wel in holten van schuren en
gebouwen. Het nestelen gebeurt in kolonieverband. Als
bouwmateriaal voor het nest wordt gebruik gemaakt van stroken
boomschors, takjes, grashalmen en lange twijgen. De pop vervoert
de bouwstoffen in haar snavel. Van het bouwmateriaal wordt een
bolvormig nest met een sluipgang gebouwd.
De
Agapornis
is voor de beginnende liefhebber een prima vogel om
mee te kweken. Ze stellen in het algemeen weinig speciale eisen
en kweekresultaten laten meestal dan ook niet lang op zich
wachten. In gevangenschap kunnen ze het best paarsgewijs in
ruime broedkooien worden gehuisvest. Voor het broeden kan een
broedblok met een afmeting van ongeveer 25 cm. hoog en een
bodemoppervlak van 15 x 15 cm. gegeven worden. Horizontale
broedblokken met een afmeting van 40 cm.breed, 18 cm. lang en
een hoogte van 18 cm. voldoen ook prima. Als nestmateriaal
kunnen verse (wilgen)takken, strohalmen, takjes e.d. gegeven
worden. Van de takken bijt de pop dan stroken schors van ca. 10
cm. die ze met haar bek naar het nest brengt. In 3 tot 4 dagen
bouwt ze hier een komvormig nest van. Om de dag worden 4 tot 6
eitjes door het popje gelegd, die alleen door haar worden
uitgebroed. Na ca. 24 dagen komt het eerste eitje uit. De jongen
hebben bij het uitkomen een oranjerode donsbevedering die
naarmate ze ouder worden veranderd in donkergrijs.
Na de achtste dag kunnen de jongen geringd worden met ringmaat
4,5 mm.. Als ze uitvliegen, na ca. 6 weken, worden ze nog
ongeveer twee weken door de ouders gevoerd. Het is verstandig de
jongen, als ze zelfstandig zijn, apart te zetten. De ouders
kunnen dan ongestoord met het tweede legsel beginnen. Het
verdient aanbeveling de vogels niet meer dan twee legsels te
laten grootbrengen. |